De vlucht uit Egypte (Spanje)

Noot vooraf: Art. 720 is een Spaanse wet die “alle” Spanjaarden verplicht hun wereldwijd vermogen op te geven. Schijnheilig genoeg “gewoon maar om het te weten!” Dit op straffe van belachelijk hoge boetes. Gezien eigenlijk de “rijke” buitenlanders geviseerd worden, (welke Spanjaard heeft nu buitenlandse bezittingen?) speelt men met vuur in Spanje.

 

Er was eens een farao, genaamd YojaR, die zijn volk serieus onder de knoet had. Tot wel 50% belastingen hief hij op alle opbrengsten. Het volk morde wel, maar zag geen ander alternatief. Het voordeel van dit rijk, was dat de zon er 365 dagen scheen. Het was voor de gezondheid goed leven, in tegenstelling met het gure noorden. Hele volkstammen uit het noorden kwamen zich hier vestigen, bouwden huizen, brachten technologie en welvaart naar het zuiden. Door de vele prestigieuze pyramides en wegen die de farao had laten aanleggen, was de staatskas leeg, en waren er zelfs openstaande schulden bij het volk. Een volk dat tot knarsetandens toe al belast was, kon je beter niet nog meer uitpersen, want anders kozen die misschien een andere farao! De rechtsgeleerden fluisterden de farao in het oor dat er nog een hele groep “rijke” buitenlanders woonden in zijn land, die toch niet voor een nieuwe farao mochten stemmen, en die gemakkelijke prooi zouden zijn tot afpersing. De rechtsgeleerden stelden in stilte hun 720ste wet op, die beval dat alle goederen van inwonenden, ook deze in het buitenland, moesten kunnen worden belast door de farao. Onwilligen zouden worden gevierendeeld en hun bezittingen geconfisceerd onder de vorm van een boete. Bij het eerste geval van vierendeling, ontstond er beroering onder de buitenlandse gemeenschap. Zij groepeerden zich in de “Kreatief Politiek Moebelaste Gemeenschap” in het kort KPMG. De verkozen leider van deze KPMG sprak zijn volgelingen toe over een eiland, waar ook de zon scheen, palmbomen stonden en waar er heel weinig of geen belastingen werden gehoffen. Kwaad over de buitensporige boetes en martelingen die de vreemdelingen moesten ondergaan bij het ontdekken van buitenlandse  bezittingen, volgden velen de wijze man van KPMG en trokken door de woestijn. Onderweg kreeg deze wijze man een wonderbaarlijk visioen dat hij neerschreef op 4 stenen tabletten.

1) Vertrouw nooit de farao.
2) Wetten worden niet gemaakt om u te dienen, maar de farao.
3) Heeft u wat, dan pakt hij dat. Steek daarom  uw spullen goed weg
4) De farao heeft nooit de schuld, maar zal die steeds aan u proberen te geven.  

Intussen had de farao begrepen, dat hij naast de pot met goud greep, dat zijn buitenlanders die welvaart hadden meegebracht, de “middle finger” hadden opgestoken, hun huizen verkocht en hun nationaliteit hadden verzet naar een ander (thuis)land. Berooid bleef hij achter met nog een grotere financiele put. Zijn economische punthoofden fluisterden de farao in, dat meer belastingen de staatskas wel terug zou vullen. Maar het volk bleek massaal in het zwart te gaan werken, zij vonden 50% belastingen wel meer dan genoeg. Minder ontvangsten dus, iets wat volgens de mathematische tabellen van de punthoofden niet kon. Als meer belastingen minder opbrachten was er structureel iets verkeerd. Omdat de farao zijn domheid moest verdoezelen, werden rijke mensen, belasting arme eilanden, belastingontwijkers, bakkers en beenhouwers gecriminaliseerd zodat die de schuld konden krijgen van al wat de farao had misgedaan.

Moraal van het verhaal: Rijkdom is als water, het vloeit langs de minst belaste weg. Iedere obstakel in de loop van de rivier laat het water anders lopen. Is het obstakel niet te hoog, loopt het erover en volgt het zijn loop. Is het echter te hoog, loopt het een andere weg.