Het doemscenario van Kondratieff

Volgens de theorie van Kondratieff is de winterperiode eind 2000 aangebroken. Dit voorspelt weinig goeds voor het huidige economische klimaat. Omdat het wereldvalutasysteem gebaseerd is op vertrouwen,… Volgens de theorie van Kondratieff is de winterperiode eind 2000 aangebroken. Dit voorspelt weinig goeds voor het huidige economische klimaat. Omdat het wereldvalutasysteem gebaseerd is op vertrouwen, is de verwachting dat dit valutasysteem gedurende deze crisis in elkaar zal storten. Kondratieffs theorie voorspelt dan ook een ineenstorting van de ‘US dollar-economieÂ’. Ook zou de euro dit tijdperk niet overleven.
In 1971 werd de dollar losgekoppeld van de goudprijs, waardoor de dollar een fiatmunt werd. Bij een algehele vertrouwensbreuk ten opzichte van de dollar zou de Amerikaanse munt volgens Kondratieffs onheilspellende visie tijdens deze winterperiode moeten gaan vallen. Aangezien de euro voor maar ongeveer 15% goudgedekt is, en dus voor maar liefst 85% uit ‘vertrouwen’ bestaat, zou ook deze munt vatbaar zijn voor een vertrouwensbreuk en dus kandidaat zijn om te verdwijnen.
De dollar staat er momenteel niet al te best voor. De private en publieke schuldenlast van de VS is extreem hoog. Het gevaar hiervan is volgens het Kondratieffprincipe dat deze schuld (in de huidige deflatoire winterperiode) niet kan worden terugbetaald. Daardoor zou daadwerkelijk gestalte gegeven kunnen worden aan een vertrouwensbreuk ten opzichte van de dollar.
Maar ook de euro en ons eigen land kennen de nodige uitdagingen. De enorme uitgaven van Wouter Bos, de garanties aan ING, de injecties bij branchegenoten, de verhoging van de NHG, alsmede het depositogarantiestelsel zouden rampzalige gevolgen kunnen hebben voor de belastingbetaler. Toenemende rentelasten uit hoofde van de sterk toenemende staatsschuld, alsmede de aflossingsbedragen van de ‘BV Nederland’, hangen als een zwaard van Damocles boven het hoofd van de belastingbetaler. Of de dollar en de euro zullen standhouden tijdens deze ‘wintercrisis’ zullen we pas rond 2021, het voorspelde einde van deze winterperiode, weten.
De rente is op weg naar het vriespunt van een barre Kondratieff-winter. Op de lange termijn bezien, is de koersontwikkeling dramatisch. De rente zette in 2008 de dalende trend opnieuw in vanaf een hoogtepunt rond 4,85%. De rente vormde begin dit jaar rond 3,5% een bodem. Dit niveau wordt opnieuw aan een test onderworpen, waaruit blijkt dat beleggers nog altijd risicomijdend zijn.
Nikolai Dimitrievitch Kondratieff
Wie was deze ‘onheilsprofeet’ eigenlijk? Begin jaren twintig van de vorige eeuw deed de Russische econoom Nikolai Dimitrievitch Kondratieff onderzoek naar de relatie tussen cycli in goederenprijzen en investeringsgedrag. Hij kwam tot het inzicht dat bepaalde golfbewegingen steeds terugkeren. Deze golfbewegingen worden aangeduid met de term Long Wave Cycles. Deze lange economische cycli hebben een duur van tussen de vijftig en zestig jaar, waarbinnen vier subcycli zijn waar te nemen, die Kondratieff aanduidde met de seizoensnamen lente, zomer, herfst en winter.
De lente
De lente wordt met een lengte van tien tot vijftien jaar de opbouwfase genoemd. Deze periode wordt gekenmerkt door economisch groei, die voortvloeit uit lichte inflatie van vooral producenten- en consumentenprijzen. Deze periode is winstgevend voor investeerders, vanwege de lage koers-winstverhouding van de bedrijven.
De maatschappij heeft in de voorafgaande winter te kampen gehad met deflatie en daardoor veel productiecapaciteit afgestoten. Nieuwe bedrijven floreren nu dankzij de hogere prijzen op de markt. Logischerwijs daalt de werkloosheid in deze subcyclus. Het is een interessante tijd om te beleggen in effecten en onroerend goed, vanwege de lage waardering daarvan. Vanwege de lichte inflatie stijgen lonen en prijzen en blijft de rente laag. De periode 1949 tot 1966 wordt gezien als de meest recente lenteperiode.
De zomer
De zomer wordt betiteld als consolidatiefase. Deze periode duurt ongeveer vijftien jaar. In deze fase is eerst een toename van de economische groei waar te nemen, waarna het aantal investeringen daalt. De inflatie wordt steeds hoger en de economische groei neemt vervolgens langzaam maar zeker af. Deze combinatie wordt stagflatie genoemd.
Men speculeert op de hogere inflatie door enerzijds aandelen en onroerend goed te kopen en anderzijds de productiecapaciteit van de bedrijven op de hogere inflatie af te stemmen. Hierna wordt de economie getroffen door een zeer zware recessie, waarbij de werkloosheid stijgt, de productiviteit daalt en de inflatie stijgt. De periode 1966 tot 1981 wordt beschouwd als de laatste zomerperiode.
De herfst
Tijdens de herfstperiode (die ongeveer tien jaar duurt), ook wel omschreven als plateaufase, is sprake van economische groei en afnemende inflatie, doordat veel bedrijven concurreren op de internationale markt. Een tweede groeifase breekt aan. Er ontstaat een prijsstijging van onroerend goed en effecten en er is een prijsafname zichtbaar van goederen en edelmetalen. Er wordt een gevaarlijke combinatie van kuddegedrag (vanwege irrationele toekomstverwachtingen) en excessief kredietbeleid in de economie waargenomen.
De private schuld bereikt in deze periode haar hoogtepunt. Hierdoor ontstaat een luchtbel, die in de winterperiode uiteen zal gaan spatten. Een kleine terugval in werkgelegenheid, rentestijging of goederenprijsstijging kan resulteren in betalingsproblemen. Herfstperiodes deden zich voor van 1921 tot 1929 en van 1982 tot 2000.
De winter
De laatste en tevens langste periode (twintig jaar) van de Long Wave Cycles is de winter- of liquidatieperiode. Deze periode breekt aan op het moment dat de luchtbel uit de herfstperiode uiteenspat. Er is op dat moment een plotselinge afname van vermogen zichtbaar (onroerend goed en aandelenkapitaal), gevolgd door deflatie van producenten- en consumentenprijzen.
De belangrijkste kenmerken van deze tijd zijn een groot aantal bedrijfsfaillissementen, een ineenstorting van het economisch systeem (voornamelijk veroorzaakt door de excessieve liquiditeit in de herfstperiode) en een vlucht naar middelen met een vaste waarde (bijvoorbeeld edelmetalen). Financiële middelen verdwijnen, waardoor het krediet ernstig wordt beperkt. Consumenten zijn hierdoor niet meer in staat om geld uit te geven. Het prijsniveau daalt zo snel dat de consumenten aankopen gaan uitstellen, omdat zij weten dat die aankopen snel goedkoper zullen gaan worden. Door deflatie en toenemende werkloosheid zal tevens de waarde van de bezittingen verder in waarde zakken. Uiteindelijk wordt het einde ingeluid van een monetair systeem.
De ontevredenheid onder de bevolking die uit deze malaise voortvloeit, kan zelfs ontaarden in gewapende conflicten of revoluties. Op het dieptepunt van de crisis ontstaat er veelal een dieptepunt- of trogoorlog, die bepalend is voor de volgende cyclus. De laatste winterperiode was de periode 1930 tot 1945. Voordat u nu naar een schuilkelder rent, wil ik u er op wijzen dat er geen consensus bestaat over bovenstaande theorie. Volgende keer vertel ik u graag de positieve kant van dit verhaal.
Harm van Wijk
BeursBulletin
Deze column verscheen op 23 november op www.dft.nl
Voor de bijbehorende grafiek verwijzen wij u naar het weekblad.