Over de vele betekenissen van inflatie

In de mainstream economie en in de schoolboeken wordt vaak onderscheid gemaakt in soorten inflatie: kosteninflatie, vraaginflatie en monetaire inflatie. De Oostenrijkers houden daarbij vast aan de oude… In de mainstream economie en in de schoolboeken wordt vaak onderscheid gemaakt in soorten inflatie: kosteninflatie, vraaginflatie en monetaire inflatie. De Oostenrijkers houden daarbij vast aan de oude definitie van inflatie, namelijk het vergroten van de geldhoeveelheid. In dit oerwoud aan definities kun je makkelijk verdwalen. Daarom hoog tijd om helderheid te scheppen zodat je nooit meer de weg kwijt raakt.
Ten eerste is het van belang om te begrijpen hoe prijzen tot stand komen. Stel er is een dorpje en daar wordt hout gehakt. Elke dag halen de bewoners tien bomen uit het bos. Als er tien goudstukken in omloop zijn dan kunnen deze bomen elke dag gekocht worden voor 1 goudstuk. De prijzen geven een verhouding aan ten aanzien van relatieve schaarste. In dit geval dus 1:1.
Stel nu dat de bewoners een kettingzaag krijgen en daardoor twintig bomen per dag kunnen omhakken. Er zijn dus twee keer zoveel bomen en de relatieve schaarste verandert. Voor een goudstuk kun je nu twee bomen kopen. Stel nu dat je geld gespaard hebt dan ben je erop vooruit gegaan. Is dit terecht? Moet deze ‘zuinige vrek’ wel beloond worden? Daarvoor moet je jezelf afvragen waar die kettingzaag eigenlijk vandaan komt.
Iemand heeft onderzoek moeten doen en de kettingzaag moeten ontwikkelen. In deze tijd was deze persoon niet productief en moest dus geld lenen. Dankzij de spaarders kon er geld geleend worden. Dankzij de spaarders ging de productiviteit flink omhoog en het is dus zeker terecht dat spaarders beloond worden. De hogere productiviteit vertaalt zich in deflatie en dat is een beloning voor spaarders. Verder zie je dat in de groeiende economie de prijzen dalen als de geldhoeveelheid constant blijft.
Het is natuurlijk ook mogelijk dat de hoeveelheid goud toeneemt. Als er een nieuwe goudmijn wordt ontdekt en de hoeveelheid goudstukken toeneemt, verandert de relatieve schaarste weer.
Stel de nieuwe hoeveelheid goudstukken is veertig en de productie is nog steeds twintig per dag. Dan zullen de bomen twee goudstukken per stuk gaan kosten. Dit is juist weer een flink nadeel voor de mensen die gespaard hebben. De prijzen zouden ook stijgen als de productie van bomen door een bomenziekte terug zou vallen tot bijvoorbeeld vijf per dag. Als de hoeveelheid goudstukken nog steeds tien zou zijn dan zou de prijs van een boom ook stijgen naar 2 goudstukken.
De standaarddefinitie van inflatie is een stijging van het algemeen prijspeil. Dus alle prijzen gaan een beetje omhoog. Dit kan alleen als de hoeveelheid geld toeneemt of de totale productie omlaag gaat. Een verlaging van de totale productie is op langere termijn haast onmogelijk. Op korte termijn is er wel eens een dip in de productie, maar op lange termijn zie je toch een gestage stijging van de productie. Het prijspeil wordt dus uiteindelijk alleen bepaald door de omvang van de geldhoeveelheid.
Daarmee komt de algemene definitie en de definitie van de Oostenrijkers al een stuk dichter bij elkaar. In principe komen ze op hetzelfde neer. De Oostenrijkers benoemen de oorzaak en de ‘mainstream’ benoemt het effect. Het nadeel van de standaarddefinitie is dat het veel onduidelijkheid creëert.
Men gaat namelijk op zoek naar de verschillende oorzaken voor stijgingen van het prijspeil. Maar er is maar één oorzaak en dat schept enorme onduidelijkheid. Men heeft bijvoorbeeld het begrip kosteninflatie ingevoerd. Dit is om aan te geven dat de prijsstijgingen worden veroorzaakt door hogere kosten. Populair is bijvoorbeeld kosteninflatie door stijging van de olieprijs. Stel dat de olieprijs structureel hoger komt te liggen. Dat is zeker een mogelijkheid voor de toekomst. En daarbij laten we de hoeveelheid geld gelijk.
Wat hier gebeurt, is dat olie schaarser wordt ten opzichte van andere producten of arbeid. Omdat er niet meer geld in omloop is, kunnen niet structureel alle prijzen verhoogd worden want daar is niet genoeg geld voor. Wat er gebeurt, is dat de schaarste tot uiting komt in andere prijsverhoudingen. Olie zal bijvoorbeeld duurder worden en (sommige) salarissen zullen dalen.
Als daarentegen de geldhoeveelheid groter wordt, dan worden simpelweg alle prijzen verhoogd, zonder dat de prijsverhoudingen op lange termijn veranderen. Als de geldhoeveelheid twee keer zo groot wordt, dan zullen de prijzen op lange termijn ook twee keer zo groot worden. Nadeel hiervan is dat onderweg naar de dubbele prijzen er enorme verstoringen zijn die de welvaart herverdelen (van spaarders naar schuldenaren). Dit is een beloning voor degene die veel schulden maken en een straf voor de spaarders.
Prijzen zijn verhoudingsgetallen. Prijzen geven informatie over relatieve schaarste. In het geval van het opraken van olie signaleren de prijzen, dat er te weinig olie is en de hoeveelheid arbeid is relatief minder schaars geworden ten opzichte van olie. Productieprocessen waarbij meer arbeid gebruikt wordt en relatief weinig olie, zullen aantrekkelijker worden. Het prijssignaal geeft precies die informatie door die nodig is. En dit is ook goed want er moet een goede oplossing gevonden worden voor het tekort aan olie.
Kosteninflatie is dus geen inflatie. De prijs van olie gaat eerst omhoog en de andere prijzen moeten nog volgen door lager te worden. Dit kan enige tijd duren, maar er is geen structurele verhoging van het prijspeil. Deze effecten zijn dus ook geen gevaar voor de koopkracht van het spaargeld.
Dan is er de vraaginflatie (bestedingsinflatie). Als de vraag hoger is dan de productiecapaciteit zullen de prijzen stijgen, is de mening. Maar deze vraaginflatie is altijd het gevolg van een toegenomen kredietverlening. In goede tijden hadden mensen vertrouwen en werd er meer geleend. Hierdoor neemt de geldhoeveelheid toe. Dit is dus eigenlijk een vorm van monetaire inflatie.
Men maakt zich ook vaak zorgen over deflatie in een laagconjunctuur. Het is maar de vraag of deflatie slecht is, zoals uit mijn voorbeeld blijkt. Maar laten we meegaan in de redenering. De vraag in een laagconjunctuur blijft achter en er wordt minder verkocht. Door de daling in de vraag zullen de prijzen dalen, is de redenering.
Stel dat dit gebeurt in ons dorpje. De productie is tien bomen per dag, maar de mensen kopen er maar acht. En er zijn nog steeds tien goudstukken in omloop. Door de concurrentie zullen de houthakkers de prijzen verlagen. Bijvoorbeeld naar een half goudstuk per boom.
Er zijn nu twee dingen mogelijk. De productie van de bomen blijft op tien stuks per dag en door de lagere prijs worden ze nu wel verkocht. De productie blijft op peil en de economie krimpt dan niet. Waarschijnlijker is echter dat een aantal houthakkers stopt met dit werk en op zoek gaat naar ander werk. De productie gaat naar acht stuks en die worden weer gekocht met acht goudstukken. Maar er blijven nu goudstukken over en er wordt dus meer gespaard.
De lagere vraag wordt gecompenseerd door hogere besparingen en het prijspeil blijft ongeveer gelijk. Dit gebeurt in een laagconjunctuur ook. De vraag gaat omlaag en de besparingen gaan omhoog. Dit vertaalt zich in ons dorpje in twee werkloze houthakkers. Er zijn twee mogelijkheden voor deze bouwvakkers. Het spaargeld komt terecht bij bedrijven en deze doen daar investeringen mee. Er wordt bijvoorbeeld een stuk grond vrijgemaakt voor toeristische blokhutjes. De twee werklozen kunnen aan het werk. Het is natuurlijk ook mogelijk dat de spaarders zo bang zijn dat ze niets meer uitgeven en het spaargeld zelf houden. Dan hebben de twee werklozen nog altijd hun eigen arbeid om op terug te vallen. Ze kunnen allerlei klussen doen om in hun eigen onderhoud te voorzien. Ze kunnen hun eigen bedrijf opstarten. In de Keynesiaanse visie zijn werklozen passieve wezens die aan het werk gezet moeten worden. Maar werklozen kunnen werk maken dat er eerst niet was. Of door zich tegen een lager salaris aan te bieden of door zelf een eigen bedrijf op te zetten.

Voor de duidelijkheid is het dus veel helderder om de inflatie terug te brengen tot de groei van de geldhoeveelheid. Ga je uit van stijging van het prijspeil, dan zit je ook nog met het probleem dat je dit prijspeil moet meten en dat is haast onmogelijk. Er is wel de consumentenprijsindex, maar hier worden veel prijzen niet in meegenomen.
De belangrijkste prijzen, die buiten beschouwing gelaten worden, zijn die van huizen en aandelen. En dit zijn wel heel belangrijke prijzen binnen de economie. De laatste jaren stegen de huizenprijzen bijvoorbeeld veel sterker dan het CPI. Het CPI kreeg hierdoor een behoorlijke vertekening. Verder wordt er een aantal correcties toegepast die de inflatie lager maken.
De groei van de geldhoeveelheid is jarenlang acht tot tien procent geweest. Er komt een moment dat dit zich gaat vertalen in hogere prijzen. Door te kijken naar de omvang van de geldhoeveelheid ben je de problemen ook voor. De geldhoeveelheid neemt eerst toe en daarna pas nemen de prijzen toe. Ook daarom is het beter de oorzaak van inflatie als leidende indicator te nemen en niet de gevolgen ervan.
Het begrip monetaire inflatie is twee jaar terug uit de examenprogramma’s gehaald van HAVO en VWO. Alleen vraaginflatie en kosteninflatie zijn nog onderdeel van het programma. Hoe de geldhoeveelheid groeit, en de gevolgen daarvan, zitten niet in de leerstof. Daarom vrees ik dat de verwarring de komende jaren helaas alleen maar toe zal nemen.
Marcel Meijer
www.devrijeeconomie.nl