Waar komt geld vandaan?

Deze vraag is eerder gesteld aan Ben Bernanke. Bernanke had een aantal banken voorzien van extra liquiditeit. Een journalist vroeg hem waar al deze miljarden vandaan kwamen. Bernanke zei dat hij het geld… Deze vraag is eerder gesteld aan Ben Bernanke. Bernanke had een aantal banken voorzien van extra liquiditeit. Een journalist vroeg hem waar al deze miljarden vandaan kwamen. Bernanke zei dat hij het geld op de computer bijboekte op de rekening van de desbetreffende bank. De journalist keek hier nogal ongelovig bij, maar dit is hoe het werkt. Het is te simpel om te geloven voor veel mensen. Er is een soort onderbuikgevoel bij mensen, dat zegt dat het toch niet zo kan werken.
De banken hebben een rekening bij de centrale bank. En de centrale bank kan hier geld op zetten. Hier staat wel tegenover dat de bank daarna een schuld heeft aan de centrale bank. Een bank leent dus bij de centrale bank en de centrale bank verhoogt daarvoor het tegoed op de rekening. Het geld dat de centrale bank uitleent, komt uit het niets. De banken zelf mogen dit trouwens ook. Maar dat is aan regels gebonden. Banken zijn zogeheten geldscheppende instellingen. Het grote verschil is, dat centrale banken niet beperkt zijn in de hoeveelheid geld die ze maken.
De centrale bank kan banken dus altijd voorzien van extra geld. Dit is ook een belangrijke reden voor het bestaan van centrale banken. Bij een ‘bank-run’ wordt er meer geld opgenomen dan de bank heeft. Zonder centrale bank moet de bank dus een flinke reserve aanhouden en dan nog bestaat het risico dat er te weinig geld is. Daarom werden centrale banken opgezet. Bij een ‘bank-run’ kunnen de aangesloten banken dan van liquiditeit worden voorzien. In het geval van een ‘bank-run’ kan een bank dus nooit zonder geld komen te zitten. Omdat het publiek dit ook weet, hoeven ze ook niet meer bang te zijn en dus is er ook geen reden meer om het geld op te nemen.
Waarom is dit dan niet gedaan bij DSB? De centrale bank had eenvoudig DSB van liquiditeit kunnen voorzien. Vervolgens hadden ze alle commotie kunnen negeren. Klanten hadden dan vanzelf weer over gegaan tot de orde van de dag. Waarom de centrale bank haar primaire taak niet heeft uitgevoerd, is mij onduidelijk.
Het grote nadeel van deze zekerheid, is dat het roekeloos gedrag veroorzaakt. Grote banken hebben nog maar een dekking van rond vijf procent. Dat betekent dat als vijf procent van het geld wordt weggehaald, dat de bank instort. Dit is wel heel scherp aan de wind. Er wordt verwacht dat de centrale bank het niet zover zal laten komen.
Nu weer terug naar de oorspronkelijke constructie om de staatsschuld te financieren. De centrale bank leent geld, dat ze uit het niets maakt, uit aan de banken. Dit doet ze voor een zeer laag percentage (ongeveer 1%). De banken hebben nu geld om uit te lenen. Met dit geld kopen ze staatsobligaties (ongeveer 4% rente). Deze leningen hebben vrijwel geen risico. Het gaat dus alleen maar om doorschuiven van geld.
De bank heeft nauwelijks eigen geld geïnvesteerd ze heeft alleen maar geld doorgegeven. Het rendement is dus erg hoog en er is bijna geen risico. De bank moet wel wat kapitaaleisen in de gaten houden. Ze moeten dus wel wat reserves hebben om deze constructie op te zetten. Maar die eisen zijn vrij laag. Een procent of vijf is voldoende. Daarmee kunnen ze dus het twintigvoudige van het eigen geld in deze constructie steken. De drie procent winst vertaalt zich dan in een rendement van 60% op het eigen geld. En dat zonder enig risico te lopen. Vandaar dat ik dit al eerder een subsidie aan de banken noemde.
Wat het nog vreemder maakt, is dat de centrale bank vaak een overheidsinstantie is. En het geld komt uiteindelijk weer terecht bij de rijksoverheden (behalve in de VS waar de Fed in handen is van de banken en in Zwitserland en België waar (een deel van) de aandelen in handen is van private aandeelhouders, red.). Nu mag de centrale bank geen geld uitlenen aan de rijksoverheid omdat dit de inflatie bevordert. Dit is inderdaad waar. Maar door de banken er als doorgeefluik tussen te zetten, los je dit probleem niet op. De geldhoeveelheid stijgt nog steeds enorm. En dus zal de inflatie oplopen.
De centrale bank maakt door de lagere rentes de vraag naar staatsobligaties groter. Hierdoor zal de rente op staatsobligaties gedurende een korte tijd dalen. En dit is natuurlijk op korte termijn voordelig voor de rijksoverheden die vaak enorme schulden hebben.
De centrale bank maakt dus geld door geld te lenen aan banken. Doordat ze simpelweg steeds meer getallen in de boeken kunnen schrijven, is hier geen grens aan. De centrale bank kan ongelimiteerd geld maken. Het nadeel van deze geldcreatie is dat het inflatie veroorzaakt. Loopt de inflatie te hard op dan zal de centrale bank het beleid moeten matigen.
Nu kijken de centrale banken voor de inflatie maar naar een beperkt aantal prijzen. Dit is de consumentenprijsindex. De prijzen van huizen en aandelen zitten hier niet in verwerkt. Terwijl deze prijzen juist als eerste stijgen door de lage rentes. De lage rentes vertalen zich ook in lagere kosten voor bedrijven. En dat betekent dat de prijzen van consumentengoederen maar beperkt stijgen. Althans voor zolang de rente laag blijft. De consumentenprijzen worden in eerste instantie dus niet beïnvloed door de geldcreatie.
De positieve effecten van geldschepping zijn allemaal korte termijn effecten. Door over de jaren heen steeds weer de geldhoeveelheid te laten groeien, zijn deze korte termijn effecten steeds weer opgerekt. Het is een keten van aan elkaar gekoppelde korte termijnvoordelen. De bittere pil is vooruitgeschoven en steeds groter geworden. Die bittere pil is stijging van de schuldenlast en het onvermijdelijke aflossen van deze schulden.
De rente kan alleen laag blijven als de geldschepping relatief groot is. Loopt de rente op dan bezwijken we onder de schuldenlast. De schuld is inmiddels zo hoog dat de rentebetalingen alleen op te brengen zijn als de rente laag blijft. Dat is ook een reden dat de centrale banken zo hun best doen om de groei van de kredietverlening en dus de groei van de geldhoeveelheid hoog te houden. Maar de prijs moet een keer betaald worden.
Keynes zei, toen hij de kritiek kreeg dat zijn beleid alleen op korte termijn werkte, “in the long run we are all dead”. En ik zeg “wij wel, maar onze kinderen niet”. De problemen worden doorgeschoven naar toekomstige generaties. En dat is zowel onverantwoordelijk als ondemocratisch.

Marcel Meijer
www.devrijeeconomie.nl