Wie het kleine niet eert

Wie het kleine niet eertKleine verschillen kunnen enorme verschillen maken. Het mooiste voorbeeld voor beleggers is dividend. Keer op keer wordt bewezen dat dit kleine bedrag, in combinatie met wat Albert Einstein het achtste wereldwonder noemde, een enorme invloed heeft.

Recent berekenden de London Business School en Credit Suisse dat wanneer u in…

Wie het kleine niet eert Kleine verschillen kunnen enorme verschillen maken. Het mooiste voorbeeld voor beleggers is dividend. Keer op keer wordt bewezen dat dit kleine bedrag, in combinatie met wat Albert Einstein het achtste wereldwonder noemde, een enorme invloed heeft.

Recent berekenden de London Business School en Credit Suisse dat wanneer u in 1900 één dollar had geïnvesteerd in Amerikaanse aandelen, dan was deze aandelenbelegging nu 217 dollar waard. Het jaarlijkse rendement bedraagt derhalve 5%. Wanneer u de dividenden zou hebben herbelegd, zou één dollar in 1900 eind 2010 zijn uitgegroeid tot 21.766 dollar, een jaarlijkse groei van 9,4%.

Het verschil tussen het herbeleggen van dividend of dit schijnbaar kleine bedrag gebruiken om bijvoorbeeld een keer lekker uit eten te gaan, is dus een factor honderd! Maar ook een kleiner verschil kan een enorm verschil maken.

Laat ik nog maar eens het voorbeeld gebruiken van de oude sok en de spaarrekening. Het laatste gouden tientje werd in 1933 geslagen en had toen een waarde van –logisch- 10 gulden of euro; 4,54. Dit gouden tientje is nu circa euro; 212 waard, oftewel 47 keer meer dan 78 jaar geleden.

Als we 78 jaar geleden het bedrag van euro; 4,54 op een spaarrekening hadden gezet tegen bijvoorbeeld 4%, dan was het spaarsaldo opgelopen tot euro; 96,75. Na 78 jaar zou de koopkracht van het tientje dat op een spaarrekening werd gezet nog niet eens de helft zijn, nog afgezien van belasting.
Omgerekend kunnen we dan vaststellen dat de inflatie over de afgelopen 78 jaar gemiddeld 5,06% is geweest, 1% meer dan de spaarrente, maar de koopkracht is over deze periode door de inflatie wel gehalveerd. Het verschil tussen 4% en 5% maakt dus een factor 2 uit over deze periode door het rente op rente effect.
Een belegging in aandelen deed het overigens aanzienlijk beter. Op 2 januari 1933 stond de S&P500 op 6,67 punten en deze staat nu rond 1312 punten, 197 keer meer dus. De gemiddelde jaarlijkse stijging is dan 7,01% geweest, meer dus dan de 5% inflatie.

Bovendien zou u ook nog dividenden hebben ontvangen en u heeft dus kunnen zien wat de invloed is van dividend op de ontwikkeling van uw vermogen. Laat de spaarrekening en de oude sokken dus maar links liggen en richt u op net dat procentje extra rendement en hou de lange termijn in uw achterhoofd.
Overigens neem ook weer geen grote risico’s. De 2-jarige staatslening van Griekenland biedt dan wel 20,8% rente, maar de kans dat uw geld volledig weg is, kunt u ook niet negeren.
Meer informatie vindt u hier.

Harm van Wijk
www.beursbulletin.nl