In 1976 toonde Nobelprijswinnaar Friedrich von Hayek op overtuigende wijze aan dat Centrale Banken eigenlijk geen enkele reden van bestaan hebben. Net zoals we geen Centrale Bakkerij nodig hebben om brood te produceren, net zo min hebben we een Centrale Bank nodig om de samenleving van geld te voorzien. Als er één ding is dat de vrije markt zéker kan, dan is het het produceren van geld.

In zo’n wereld leven we echter niet. Vandaag de dag bestaat er een monopolie op de geldproductie: in ruil voor de zekerheid dat de Centrale Bank alle schuld opkoopt die de overheid uitgeeft (in Europa gaat dat met een tussenstap via het commercieel circuit, in de States gebeurt het rechtstreeks) krijgen de eigenaars van die bank het privilege om als énigen het basisgeld te mogen produceren. Alle andere banken mogen op basis van dat eerste geld zélf ook fiduciair geld maken, maar de basishoeveelheid is en blijft een zaak van Centrale Banken.
Dat leidt vanzelfsprekend tot misbruiken. Als Centrale Banken – die overigens van in den beginne 100% private ondernemingen waren – op voorhand zéker weten dat ze geen concurrentie zullen krijgen, dan treedt een zeer welbepaald psychologisch fenomeen op dat bekend staat als “Moral Hazard”. Als de kans niet meer bestaat dat men ooit de gevolgen van zijn eigen roekeloze gedrag zal moeten dragen – bijvoorbeeld geld lenen aan een spilzieke overheid – dan wordt men een stuk driester in die roekeloosheid dan normaal het geval is.
Hoeft het enig betoog dat dit inderdaad het geval is?
